De Oerheuvel van de Schepping
Over de hele wereld vinden we mythologieën waarin de schepping begint wanneer vast land voor het eerst oprijst uit de oerwateren, het moment markerend waarop orde zich afscheidt van chaos. Deze “eerste aarde” wordt vaak de verblijfplaats van een scheppende godheid of de plek waar de schepping zich ontvouwt.
Waarschijnlijk het bekendste en oudste concept van de Oerheuvel van de Schepping is de Védische Berg Meru, de Harmoniematrix van de Schepping, waarmee alles in het universum resoneerde. De vroegste literaire vermelding van Meru vinden we in de Sanskrietteksten (Veda’s) van de Vedische cultuur, die bloeide in het gebied dat nu India is, tussen 1500 en 500 v.Chr., volgens historici. Dezezelfde historici geloven dat de wortels van deze cultuur liggen in de Indo-Europese tradities die zich over Eurazië verspreidden.
De Vedische mensen hadden een gevorderd niveau van kennis bereikt op het gebied van botanica, wiskunde, geneeskunde, geologie, astronomie, krijgskunst en meer. Een groot deel van deze kennis werd uiteindelijk opgeschreven in de Veda’s, hoewel veel onderzoekers erkennen dat deze kennis duizenden jaren daarvoor mondeling werd doorgegeven.
Hun hele wetenschap was gebaseerd op de harmonische relatie tussen twee oerkrachten in het universum: potentiële energie en kinetische energie. Wanneer deze twee krachten elkaar ontmoeten, wordt leven gecreëerd. Deze twee krachten worden geassocieerd met de Maan en de Zon en hebben in verschillende culturen veel verschillende namen gekregen. In de Meru-beschaving waren dit Soma of Ida (Maan, water, vrouwelijke kracht) en Agni of Pingala (Zon, vuur, mannelijke kracht). Deze twee krachten die rond het centrale kanaal Sushumna spiralen, vormden de Kundalini-stroom. Voor de Taoïsten werd dit uitgedrukt als Yin (vrouwelijk, magnetisch) en Yang (mannelijk, elektrisch), stromen die door heilige technieken in balans werden gebracht om de pijnappelklier of het Derde Oog in het midden van de hersenen te activeren. Welke namen deze krachten ook hebben gekregen, ze delen een gemeenschappelijke oorsprong in de Indo-Europese Meru-beschaving en wijzen op een diep begrip van de essentiële wetten van Natuur en Bewustzijn. Alle latere beschavingen adopteerden dit principe als een centrale pijler, genaamd Berg Meru.
In de Vedische kosmologie is Berg Meru niet zomaar een berg; het is de axis mundi, de verticale pilaar waar het kosmos omheen is gestructureerd. Het staat in het centrum van de wereld, omringd door vier grote continenten, en verankert de hemel, aarde en onderwereld. Berg Meru was de oerheuvel die oprijst uit ongedifferentieerde chaos en het eerste stabiele punt van de schepping vestigt. Net zoals de Benbensteen van Heliopolis is Meru het kosmische sjabloon waaruit de rest van het universum wordt georganiseerd.
“Maat-Ra-Meru”: de Verenigende Sleutel
In een 5e-eeuw v.Chr. tekst, de Chandah-Shastra (De Kunst van Intonatie), geschreven door de Sanskrietgrammaticus Pingala, vinden we een zeer interessante beschrijving van Berg Meru. Een beschrijving die licht werpt op de essentiële betekenis van de Oerheuvel van de Schepping en die alle eerder genoemde beschavingen verbindt via dit gemeenschappelijke concept. In de Chandra Shastra wordt Berg Meru gedocumenteerd als een “berg van harmonische cadans”, die hij Maatrameru noemt. Interessant is dat we in deze naam de Egyptische termen Maat (orde), Ra (licht) en Meru (materie) terugvinden. Pingala portretteert Berg Meru als een piramidale weergave van gehele getallen, gevormd door telkens de twee getallen direct boven een invoer op te tellen, beginnend met het getal 1 aan de top. Deze numerieke driehoek is tegenwoordig bekend als de
Driehoek van Pascal.
Twee Spiralen
Interessant is dat wanneer je de diagonalen in de driehoek optelt, ze de Fibonacci-getallenreeks vormen (1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89, 144,…). Deze getallenreeks ontstaat door de laatste twee getallen van de reeks op te tellen (1 + 1 = 2, 2 + 1 = 3, 3 + 2 = 5, 5 + 3 = 8,…) en heeft een bijzondere eigenschap: hoe verder je in de reeks komt, hoe meer de verhouding van de laatste twee getallen (bv. 8/5 = 1,6 maar 144/89 = 1,6179…) de Gulden Snede Phi (1,618…) benadert, zonder ooit exact Phi te bereiken. Met andere woorden, de Fibonacci-reeks vormt een harmonische manier (uit te drukken in gehele getallen) om de meest onharmonische verhouding in het universum uit te drukken (niet uit te drukken in gehele getallen). Dit is de reden waarom Fibonacci-getallen het meest terug te vinden zijn in de natuur, zoals in dennenappels, zonnebloemen, biometrie, DNA,…
De Fibonacci-reeks op zich is echter een entropische of parasitaire voortgang, omdat elk getal in de reeks de som is van slechts de twee voorgaande getallen (0+1=1, 1+1=2, 2+1=3, 3+2=5, 5+3=8 enz.). Op deze manier verliest de Fibonacci-spiral zijn verbinding met het startpunt of de Bron. De reeks “consumeert” het vorige getal om het volgende hogere getal te vormen. De Fibonacci-spiral illustreert de wiskunde die wordt gebruikt om de strijd om energie voort te zetten, of met andere woorden, entropie. Hoe groter hij wordt, hoe verder hij zich progressief van de Bron verwijdert. Daarom is een tweede tegengesteld roterende Fibonacci-spiral nodig om het systeem “negentropisch” te maken. Dit is de reden waarom we in de natuur vaak Fibonacci-spiralen in tegengestelde paren vinden en waarom er twee diagonale richtingen zijn in de Meru-driehoek waarmee de Fibonacci-reeks wordt gevormd. Kortom, de Meru-driehoek is de eenvoudigste manier om numeriek de harmonische balans tussen de twee convergerende Fibonacci-spiralen weer te geven.
Één As
Wanneer we de getallen in de driehoek horizontaal per rij optellen, verschijnt een andere getallenreeks: 1, 2, 4, 8, 16, 32, 64,… Dit is uiteraard de dubbelende octaafreeks, die op zijn beurt eeuwig verbonden blijft met zijn bron omdat elk getal wordt gevormd door de som van alle voorgaande getallen + 1, waardoor de verbinding met de Bron behouden blijft. Dit “+1” betekent dat elk volgend getal in de reeks deel blijft uitmaken van het Oorspronkelijke Eén of de Bron. Op deze manier behoudt het octaaf zijn verbinding met de Bron en vormt het de negentropische harmonische as waarlangs de twee entropische Fibonacci-spiralen in evenwicht zijn.
In de Meru-driehoek hebben we dus twee (Fibonacci-)spiralen die rond een centrale (Octaaf-)as verweven zijn.
Het Alziende ‘Ik’
De Kabbala, de Wereldboom, de Levensboom, de Oerheuvel van de Schepping,… zijn allemaal metaforen voor hetzelfde concept: de Meru-driehoek. De 1-tjes aan de top en in de twee zijden van de Meru-driehoek vertegenwoordigen ook het eerste element, Waterstof. Dit werd allegorisch gesymboliseerd door het oprijzen van de Berg Meru uit de oerwateren. De Meru-wetenschap, die gebaseerd is op het Eerste Atoom, Waterstof (Aqua), is letterlijk de wetenschap die het Tijdperk van Waterman zal inluiden.
Daarnaast symboliseert het getal 1, oorspronkelijk weergegeven als een eenvoudige verticale lijn aan de top van de Meru-driehoek, het Zaad van het Zelf, dat zich verdeelt in een veelheid van reflecties in de buitenwereld, terwijl het toch verbonden blijft als Eén.
Dit zijn slechts enkele van de vele geheimen van deze mysterieuze Meru-driehoek.
Lees meer…"